Pleitnota – Studentenrechtbank 2015

Studentenrechtbank Rijksuniversiteit Groningen

Sector Privaatrecht

Oude Zittingszaal Rechtbank, Oude Boteringestraat 38, Groningen.

Casus: prio01d

 

Pleitnota van E.P. Visser

 

Inzake:

 

SIEBRAND SIEBRAND ZORGSMA

GEDAAGDE

Vertegenwoordigd door mr. E.P. Visser (Groningen)

 

tegen

 

EDUARD SCHAAF

EISER

Vertegenwoordigd door mr. S.L.L. van Aken (Groningen)

 

Inhoud

  1. Inleiding
  2. Feiten
  3. Juridisch betoog
  4. Conclusie

 

Edelachtbare vrouwe,

Inleiding

Mijn cliënt is een gepensioneerde boer met nog enkele stallen en stukken grond om eventueel dieren van anderen te stallen en te verzorgen. Ik kan me voorstellen dat Siebrand Zorgsma nog altijd boerenbloed in zich heeft. Hij heeft daarom ook vol enthousiasme de gevraagde ruimte, in de zin van stallen en stukken weiland, beschikbaar gesteld aan nabij gelegen boerenbedrijf van Tessa Harmsen. Mijn cliënt ziet de koeien als een aanwinst. Het geeft een mooie sfeer voor bij de bed en breakfast. Daarnaast worden de stallen en stukken grond weer gebruik. Op 24 april 2014 heeft tot ieders schrik koe Berta23 vanuit, een door een sloot omringd, weiland van mijn cliënt de eiser Eduard Schaaf aangevallen. Hierbij is veel schade ontstaan bij het slachtoffer.

Eiser stelt zich op het standpunt dat mijn cliënt aansprakelijk gehouden kan voor de gedragingen van Berta23 ex artikel 181 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek met een vordering voor schadevergoeding.

Daarentegen is mijn cliënt van mening dat hij niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die veroorzaakt is door de koe van Tessa Harmsen op grond van artikel 6:181 BW omdat er geen sprake is van bedrijfsmatig gebruik van het dier.

Onderstaand zal ik laten zien dat het standpunt van mijn zeer gewaardeerde collega mr. van Aken geen stand houdt en dat mijn cliënt geen bedrijfsmatige gebruiker van het dier is met als gevolg dat de primaire vordering afgewezen zal worden. Tevens zal de subsidiaire vordering niet-ontvankelijk verklaard worden, aangezien Tessa Harmsen in deze rechtszaak geen partij is.

Feiten

De partijen zijn erover eens dat in deze zaak een aantal drachtige koeien voor Tessa Harmsen, worden gehouden door Siebrand Zorgsma. Mijn cliënt heeft daarbij land en stallen voor een aantal koeien beschikbaar gesteld. De verzorging en de kosten voor verzorgmiddelen is neergelegd bij de bezitter, namelijk Tessa Harmsen. Vanwege de goede verhouding met de bezitter maakt mijn cliënt dagelijks een controle ronde bij de gestalde koeien en hij voert deze eventueel met hun voer bij. Op 24 april 2014, is er een bevalling van een kalf geweest in een weiland naast het Pieterpad. De langs wandelende Eduard Schaaf is hierbij belangstellend geweest en heeft veel foto’s gemaakt van de moeder en het kalf. Tevens was Han Gerritsen aanwezig met zijn loslopende hond. De partijen erkennen dat er een ongeval ontstond toen de bezitter, Tessa Harmsen, en de houder, Siebrand Zorgsma, niet aanwezig waren. Het ongeval ontstond onder omstandigheden van een flitsende camera en een enthousiaste hond. De koe, Berta23, is door de sloot buiten het weiland gekomen op de Pieterpad en heeft Eduard Schaaf aangevallen met alle gevolgen van dien. De schade houdt een causaal verband met het verwezenlijken van het gevaar door eigen energie en het onberekenbare element van deze energie van het dier. [1]

De partijen zijn het niet eens met betrekking tot de aansprakelijkheid. Eiser stelt Siebrand Zorgsma aansprakelijk als bedrijfsmatige gebruiker van koe Berta23 ex artikel 6:181 BW. Mijn cliënt is van mening dat de aansprakelijkheid voor het dier niet bij hem ligt, maar bij de bezitter ex artikel 6:179 BW en er in geen geval sprake is van bedrijfsmatig gebruik

Juridisch betoog

In deze zaak betreft het een koe, Berta23, die gestald is bij mijn cliënt en uit de parlementaire geschiedenis kan opgemaakt worden dat bewaren niet onder het toepassingsbereik van bedrijfsmatig gebruik valt van artikel 6:181 BW. De wetgever heeft namelijk een uitzondering gemaakt voor het bewaren en vervoeren van dieren. Volgens de wetgever is het verband tussen de schade die niet kan worden voorkomen met de gebruikelijke zorg voor het dier en de uitoefening van het bedrijf van de bewaarder niet sprekend genoeg.[2] Siebrand Zorgsma is in deze zaak enkel een bewaarder van koeien voor Tessa Harmsen. Siebrand Zorgsma stelt land en stallen beschikbaar en maakt dagelijks een controle ronde bij de gestalde koeien. De bezitter heeft de verzorging en de kosten van de verzorging op zich genomen. Het verband met een eventuele bedrijfsoefening is volgens de wetgever te gering om bij een bewaarder tot een bedrijfsmatig gebruik te komen. Tevens in de ruime opvatting van Oldenhuis dat de bezitter van een dier in deze situatie aansprakelijk moet zijn wanneer het bewaren van het dier niet gepaard gaat met enige zeggenschap met betrekking tot het dier zal in dit geval leiden tot een niet aansprakelijkheid van een ‘bewaarder’.[3] Het betreft hier namelijk een houder waarbij enkel een ruimte om te bewaren beschikbaar stelt en waarbij de bezitter de verzorging alsnog op zich neemt.

Indien onverhoopt toch wordt bepaald dat de omstandigheden van dit geval onder het toepassingsbereik van artikel 6:181 BW vallen stelt mijn cliënt dat er geen sprake is van bedrijfsmatig gebruik. De Hoge Raad heeft namelijk in het Loretta-arrest bepaald dat er een ruime uitleg van ‘bedrijfsmatig gebruik’ gehanteerd zal worden. [4] Deze ruime uitleg ligt in de lijn met de royale uitleg uit artikel 6:170 BW. Deze extensieve uitleg van ‘bedrijfsmatig gebruik’ maken het profijtbeginsel en de zeggenschap essentieel voor de uitkomst. [5] Met betrekking tot het profijtbeginsel worden de stallen en weilanden beschikbaar gesteld tegen kostprijs. De stallen en stukken grond worden nu niet ongebruik gelaten en dit is een rechtstreeks gevolg van de koeien. Echter het profijt vanuit de Bed en Breakfast, dat gasten landelijke uitstraling waarderen, staat niet vast dat dit een causaal verband heeft met de koeien. Het functioneel verband zal daarnaast ook spaak lopen. De aansprakelijkheid kan al op de bedrijfsmatige gebruiker berusten wanneer het dier zich in zijn machtssfeer bevindt. De zeggenschap ligt bij de bezitter, Tessa Harmsen, omdat zij de leiding neemt bij de bevalling, de verzorging geheel op zich neemt en hierdoor dus ook controle (zeggenschap) uit kan oefenen over de overige koeien in de stalling. Er is daarom geen sprake van bedrijfsmatig gebruik van het dier door Siebrand Zorgsma.

De aansprakelijkheid voor de schade veroorzaakt door de gedragingen van Berta23 rust niet op mijn cliënt Siebrand Zorgsma omdat de aansprakelijkheid bij de bezitter, Tessa Harmsen ex artikel 6:179 ligt. In het Loretta-arrest is bepaald dat er sprake is van een alternatieve aansprakelijkheid in plaats van een cumulatieve aansprakelijkheid.[6] De aansprakelijkheid uit artikel 6:179 BW ligt of bij de bezitter of bij de bedrijfsmatige gebruiker. Tevens kan eiser Han Gerritsen aansprakelijk stellen voor het gedrag van zijn hond als veroorzaker tevens op grond van artikel 6:179 BW.[7]

Door de rechtspraak wordt de risicoaansprakelijkheid voor dieren ex artikel 6:179 BW, de aansprakelijkheid van de bezitter, gezien als hoofdregel met daarbij de uitzondering uit artikel 6:181 BW, de aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker. De Hoge Raad heeft namelijk in het Loretta-arrest bepaald dat wanneer er schade wordt toegebracht door een dier, dat dan de bezitter op grond van artikel 6:179 BW hiervoor aansprakelijk is.[8] Tenzij het dier bedrijfsmatige wordt gebruikt, dan is de bedrijfsmatige gebruiker aansprakelijk op grond van artikel 6:181 BW.

Daarnaast rust op mijn cliënt ook geen aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW, gezien het ongeval van met Eduard Schaaf betreft waarbij sprake is een ongelukkige samenloop van omstandigheden. De mate van waarschijnlijkheid voor het ongeval was erg laag en hierdoor was dit niet te voorzien.[9] Het desbetreffende weiland is, zoals gangbaar, voorzien van een toegang door middel van een hek en omringt door een sloot om dieren binnen het weiland te houden. Hiervoor zijn gangbare veiligheidsmaatregelen genomen voor het voorkomen van een ongeval met een dier buiten het weiland en is er geen sprake van maatschappelijk onzorgvuldigheid.

Eduard Schaaf heeft deels eigen schuld, artikel 6:101 BW, aan het ongeval door zijn gedragingen. In eerste instantie door een bedreigende sfeer te creëren voor de koe door de eigenaar van de loslopende hond, Han Gerritsen aan te spreken en daarnaast een schrikreactie bij de dieren, respectievelijk de koe en de hond, te veroorzaken met de flits van de camera. Tevens had Eduard Schaaf veilige afstand kunnen nemen ten tijde wanneer de koe in de sloot stond en eruit liep.

Dit alles maakt het onjuist om mijn cliënt aansprakelijk te stellen voor de geleden schade. Het toepassingsbereik van artikel 6:181 BW zal niet zo ver strekken dat bedrijfsmatig stallen dan wel bewaren als bedrijfsmatig gebruik gezien zal worden. Daarnaast zijn het profijtbeginsel en de zeggenschap essentieel tot het komen van bedrijfsmatig gebruik en dit zijn tevens de punten die in deze zaak niet slagen en had men meer kans gehad bij het hanteren van de hoofdregel uit artikel 6:179 BW, aansprakelijkheid voor de bezitter van het dier.

Conclusie

Siebrand Zorgsma is niet aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door de gedragingen van Berta23, omdat er geen sprake is van bedrijfsmatig gebruik ex artikel 6:181 BW. In de eerste plaats omdat er sprake is van bewaring en dit valt niet onder het toepassingsbereik van dit wetsartikel. Anderzijds zal het spaak lopen op zowel het profijtbeginsel en het functioneel verband als de zeggenschap (machtssfeer) over het dier.

Eduard Schaaf had Tessa Harmsen, als bezitter van de koe of Han Gerritsen voor het gedrag van zijn hond als veroorzaker aansprakelijk moeten stellen op grond van 6:179 BW. [10]

Gelet op het bovenstaande rust de aansprakelijkheid voor de gedragingen van Berta23 niet op mijn cliënt Siebrand Zorgsma en daarom verzoek ik u om de primaire vordering van eiser af te wijzen. Daarnaast verzoek ik u om Eduard Schaaf als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de proceskosten het geheel uitvoerbaar bij voorraad.


 

[1] Rb Zutphen 21 april 2010, ECLI:NL:RBZUT:2010:BM4553, JA 2010, 89 ; Parl. Gesch. Boek 6 NBW, p. 763. ;

HR 23 februari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1041, r.o. 3.2, NJ 1990 365 (Zengerle/Blezer)

[2] Parl. Gesch. Boek 6 NBW, p. 747.

[3] Oldenhuis, in GS Onrechtmatige daad, art. 6:179 BW, aant. 71.

[4] HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1475, JA 2011, 56, NJ 2011, 405, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Loretta).

[5] Kolder NTBR 2010, 36. p. 295-307.

[6] HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1475, JA 2011, 56, NJ 2011, 405, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Loretta).

[7] Hof Amsterdam 20 maart 1997, ECLI:NL:GHAMS:1997:AK3749, VR 1999, 100, r.o. 4.3 (Admiraal/Van Lemmeren).

[8] HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1475, JA 2011, 56, NJ 2011, 405, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Loretta).

[9] HR 12 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5784, NJ 2001, 300 (verhuizende zussen)

[10] HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1475, JA 2011, r.o. 3.3, 56, NJ 2011, 405, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Loretta);

Hof Amsterdam 20 maart 1997, ECLI:NL:GHAMS:1997:AK3749, VR 1999, 100, r.o. 4.3 (Admiraal/Van Lemmeren).