Zitting Gedaagde – Studentenrechtbank 2015

Onderdeel 1

In tegenstelling tot de eiser zal de verdediging aanvoeren dat er wel sprake is van bewaring en daarom niet onder het toepassingsbereik van bedrijfsmatig gebruik valt.

Uit de parlementaire geschiedenis kan opgemaakt worden dat bewaren, als uitzondering, niet onder het toepassingsbereik van bedrijfsmatig gebruik valt van artikel 181 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Volgens de wetgever is het verband tussen de schade die niet kan worden voorkomen met de gebruikelijke zorg voor het dier en de uitoefening van het bedrijf van de bewaarder niet sprekend genoeg.[1]

De heer Siebrand Zorgsma is in deze zaak enkel een bewaarder van koeien voor mevrouw Tessa Harmsen. De heer Zorgsma stelt land en stallen beschikbaar en maakt dagelijks een controle ronde bij de gestalde koeien. De bezitter Harmsen heeft de verzorging en de kosten van de verzorging op zich genomen.

Het verband met een eventuele bedrijfsoefening is hierdoor te gering om bij een bewaarder tot een bedrijfsmatig gebruik te komen. Tevens uit de ruime opvatting van de Hoge raad en aansprakelijkheidsjurist prof. mr. dr. Oldenhuis komt naar voren dat de bezitter van een dier in deze situatie aansprakelijk moet zijn wanneer het bewaren van het dier niet gepaard gaat met enige zeggenschap met betrekking tot het dier. In dit geval zal het leiden tot een niet aansprakelijkheid van een ‘bewaarder’.[2] Het betreft hier namelijk een houder waarbij enkel een ruimte om te bewaren beschikbaar stelt en waarbij de bezitter de verzorging alsnog op zich neemt.

De zeggenschap met betrekking tot de koeien ligt niet bij Zorgsma maar bij de bezitter Tessa Harmsen.

Zij neemt de leiding bij de bevalling, zij neemt de verzorging geheel op zich en zij financiert tevens alle verzorgingsmiddelen. Hier uit kan geconcludeerd worden dat de zeggenschap bij mevrouw Harmsen ligt. Dit blijkt ook wel uit het feit dat mijn cliënt geen handelingen mocht uitvoeren zonder toestemming van de bezitter van de koeien.

In deze zaak zal er, in tegenstelling tot wat de eiser zal beweren, wel sprake zijn van bewaring en zal hierdoor niet onder het toepassingsbereik van bedrijfsmatig gebruik vallen. De alternatieve risicoaansprakelijkheid rust daarom op de bezitter van Berta 23, namelijk mevrouw Harmsen op grond van de hoofdregel van artikel 179 van boek 6 van het Burgerlijk wetboek.

Repliek:

Het snijdt geen hout dat eiser stelt dat mijn cliënt nog een boerenbedrijf bezit. De heer Zorgsma is al gepensioneerd en heeft grote delen stallen en weilanden al weggedaan. Er is tevens geen vee meer aanwezig. Als vriendendienst heeft mijn cliënt ruimte beschikbaar gesteld aan zijn buurvrouw. Hiermee wordt absoluut geen winst gemaakt, dit is essentieel om over een bedrijf te spreken. Mijn cliënt ziet het meer als een morele plicht, dan wel als hobby, van een ex-boer om even te kijken bij de koeien en daarmee een boerin met ruimtegebrek een handje te helpen.

Stel dat er sprake zou zijn van bedrijfsmatig bewaren, wat in deze zaak niet het geval is, dan had dit volgens de Hoge Raad ook onder de uitzondering van bewaren gevallen. Dus zowel het bedrijfsmatig bewaren en het gewoon bewaren, wat mijn cliënt doet, vallen niet onder het toepassingsbereik van artikel 181 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.

Onderdeel 2

Hoewel er sprake is van bewaring en hierdoor niet onder het toepassingsbereik van artikel 6:181 BW valt, zal er in deze zaak tevens geen sprake zijn van bedrijfsmatig gebruik.

De Hoge Raad heeft in het Loretta-arrest bepaald dat het criterium Zeggenschap, naast het profijtbeginsel, essentieel is voor het toepassen van artikel 181 van boek 6 van het burgerlijk wetboek. Er zal in deze zaak geen of geringe sprake zijn van zeggenschap van de houder ten opzichte van het dier, zoals ik het ook al eerder heb benoemd.

Om het nog even te visualiseren:

Stelt u eens voor. Mevrouw de Rechter. U heeft een huis met een mooi maar leegstaand tuinhuisje. De buurman komt naar u toe of hij uw tuinhuisje mag gebruiken voor zijn hond. Het huis van de buren ligt namelijk helemaal overhoop door een verbouwing en er is tijdelijk geen plek voor de hond. Stelt u eens voor dat u uw tuinhuis ter beschikking stelt aan de buurman. De buurman verzorgt de hond met zijn eigen middelen zoals voer. Daarnaast laat hij zelf ook de hond uit. Als gevoelsmatige plicht kijkt u elke avond wel even hoe het met de hond gaat, maar u mag niks doen zonder toestemming van de buurman.

De grote vraag zal dan ook luiden: Bij wie ligt de zeggenschap? Juist bij de buurman, want stelt u eens voor: u laat uw tuinhuisje enkel gebruiken door de buurman en de rest, zoals voeren en uitlaten, doet uw buurman, dan heeft u toch geen enkele zeggenschap over het dier?

Hij heeft namelijk, als bezitter, volledig invloed op de hond.

In het geval van koe Berta23 en mevrouw Harmsen is dit niet anders. De zeggenschap en ook de aansprakelijkheid ligt daarom dus bij de bezitter. Het kan daarbij ook meer gezien worden als een vriendendienst of een dienst van een goede buur dan dat er sprake is van een zakelijke dienst met contractuele verplichtingen. Er is hier, zoals ik al eerder heb gestelt, gewoon geen zeggenschap van de houder ten opzichte van het dier.

——————————————————- Profijtbeginsel:

Met betrekking tot het profijtbeginsel worden de stallen en weilanden beschikbaar gesteld tegen kostprijs. De stallen en stukken grond worden nu niet ongebruik gelaten en dit is een rechtstreeks gevolg van de koeien.

Echter bij het profijt vanuit de Bed en Breakfast, dat gasten landelijke uitstraling waarderen, staat het niet vast dat dit een causaal verband heeft met de koeien. Dat de gasten een landelijke uitstraling waarderen is daarbij ook nog slechts een aanname. Tevens betalen de gasten geen hogere tarieven, dan in de periode toen de weilanden en stallen leeg stonden en er wordt ook niet geadverteerd met een landelijke uitstraling met vee. Het functioneel verband voor het profijtbeginsel zal hierdoor dan ook spaak lopen.

Afgezien van het feit dat het hier bewaring betreft en niet onder het toepassingsbereik van artikel 6:181 BW valt, zal er ook geen sprake zijn van bedrijfsmatig gebruik omdat er geen sprake is van enige zeggenschap en er wordt niet voldaan aan het profijtbeginsel. 

Onderdeel 3

Bij het ongeval van de eiser is er sprake een ongelukkige samenloop van omstandigheden. De mate van waarschijnlijkheid voor het ongeval was erg laag en hierdoor was dit niet te voorzien.[3]

Het desbetreffende weiland is, zoals gangbaar en maatschappelijk geaccepteerd in Nederland, wel voorzien van een toegang door middel van een hek en omringt door een sloot om dieren binnen het weiland te houden. Hiervoor zijn de gangbare veiligheidsmaatregelen genomen voor het voorkomen van een ongeval met een dier buiten het weiland en is er geen sprake van maatschappelijk onzorgvuldigheid.

Dupliek:

Nee Dank u wel mevrouw de rechter. Het is volledig duidelijk dat er geen sprake is van maatschappelijk onzorgvuldigheid van mijn cliënt.

 

Onderdeel 4

De eiser had niet mijn cliënt als houder aansprakelijk moeten stellen, maar de bezitter Tessa Harmsen. In het Loretta-arrest is bepaald dat er sprake is van een alternatieve aansprakelijkheid in plaats van een cumulatieve aansprakelijkheid.[4] De aansprakelijkheid uit artikel 6:179 BW ligt of bij de bezitter of bij de bedrijfsmatige gebruiker. In deze zaak zal het liggen bij de bezitter, omdat er in deze zaak geen sprake is van een bedrijfsmatige gebruiker, maar slechts van een bewaarder.

De bezitter is voor het slachtoffer is in deze zaak makkelijk te vinden. De bezitter Tessa Harmsen was namelijk aanwezig bij de bevalling en uiteindelijk ook na het treurige ongeval. De koe is daarnaast ook makkelijk te herleiden naar deze bezitter.

Voor het slachtoffer en zijn advocaat was het uiteindelijk net zo veel werk om uit te zoeken van wie het weiland is als het te zoeken naar de eigenaar van de koe. Beiden waren voor en na het ongeval aanwezig bij het weiland en het oormerk van de koe was bekend. Kortom: de hoofdregel van artikel 6:179 BW had makkelijk gehanteerd kunnen worden en daarbij de bezitter, in plaats van de bewaarder, aansprakelijk moeten stellen voor de gedragingen van de koe berta 23.

In deze zaak betreft het bewaring en hierdoor valt het niet onder het toepassingsbereik van bedrijfsmatig gebruik. Hierdoor rust de aansprakelijkheid voor het dier niet op de houder, mijn cliënt, maar op de bezitter. Daarnaast is er in geen geval sprake van bedrijfsmatig gebruik.

Onderdeel 5

Eduard Schaaf heeft deels eigen schuld, aan het ongeval door zijn gedragingen. In eerste instantie door een bedreigende sfeer te creëren voor de koe door de eigenaar van de loslopende hond, Han Gerritsen niet aan te spreken en daarnaast door een schrikreactie bij de dieren, respectievelijk de koe en de hond, te veroorzaken met de flits van de camera. Tevens had Eduard Schaaf veilige afstand kunnen nemen ten tijde wanneer de koe in de sloot stond en eruit liep.

Dit maakt dat de heer Schaaf zelf onzorgvuldig heeft gehandeld. Ten eerste omdat hij heeft nagelaten om de eigenaar van de loslopende hond aan te spreken, ten tweede een bedreigende sfeer te veroorzaken en ten slotte door zichzelf niet in veiligheid te brengen.

Kortom buiten het gegeven dat mijn cliënt, als bewaarder, niet aansprakelijk is voor de gedragingen van berta23, heeft de heer Schaaf ook deels eigen schuld aan het ongeval met de koe.


 

[1] Parl. Gesch. Boek 6 NBW, p. 747.

[2] Oldenhuis, in GS Onrechtmatige daad, art. 6:179 BW, aant. 71.

[3] HR 12 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5784, NJ 2001, 300 (verhuizende zussen)

[4] HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1475, JA 2011, 56, NJ 2011, 405, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Loretta).