Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker van dieren – Studentenrechtbank 2015

Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker van dieren

casus prio01d – Bertha is boos! – Aansprakelijkheid voor bedrijfsmatig gebruik van dieren.

 

Aantal woorden:      2262 woorden

Aantal pagina’s:      11 (totaal) / 5 (essay)

Versie:                      2.0

 

Auteur:                     Ewout Pong Visser

Studie:                      Rechtsgeleerdheid

Vak:                           Studentenrechtbank

 

Universiteit:             Rijksuniversiteit Groningen

Faculteit:                  Faculteit der Rechtsgeleerdheid

 

Docent:                      dr.mr. P.G. Tassenaar

Datum versie 1:       4 februari 2015

Datum versie 2:       26 februari 2015

Cijfer:       7.7

 

 

Essay

1.     Inleiding

Het bekende Loretta-arrest van de Hoge Raad heeft een grote rol voor de kwalitatieve aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker van dieren.[1] Dit arrest wordt dan ook veelvoudig onderwezen bij aansprakelijkheidscasussen waarbij een houder van dieren om de hoek komt kijken. Op grond van artikel 179 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek is de bezitter in eerste instantie al (risico)aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door dieren. Echter wordt een dier door een derde gebruikt ter uitoefening van het bedrijf dan zal de aansprakelijkheid uit artikel 6:179 BW worden verlegd naar de bedrijfsmatige gebruiker. In het Loretta-arrest heeft de Hoge Raad bepaald dat er geen sprake is van cumulatieve aansprakelijkheid, maar een alternatieve aansprakelijkheid. De aansprakelijkheid ligt dus of bij de bezitter of bij de bedrijfsmatige gebruiker. Dit leidt tot de centrale vraag die speelt bij deze aansprakelijkheidskwesties en beantwoord zal worden in dit essay is onder welke omstandigheden er gesproken kan worden van bedrijfsmatige gebruik van dieren ex 6:181 BW.

Hiervoor zal onder andere naar de, de risicoaansprakelijkheid voor dieren, schade door dieren, de criteria uit artikel 6:181 BW, de hoofdregel en naar het Loretta-arrest worden gekeken.

2.     Risicoaansprakelijkheid voor dieren

Door de rechtspraak wordt de risicoaansprakelijkheid voor dieren wordt artikel 6:179 BW, de aansprakelijkheid van de bezitter, gezien als hoofdregel met daarbij de uitzondering uit artikel 6:181 BW, de aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker. De risicoaansprakelijkheid voor dieren wordt gevormd door deze twee artikelen. De Hoge Raad heeft namelijk in het Loretta-arrest overwogen dat wanneer er schade wordt toegebracht door een dier, dat dan de bezitter op grond van artikel 6:179 BW hiervoor aansprakelijk is.[2] Tenzij het dier bedrijfsmatige wordt gebruikt, dan is de bedrijfsmatige gebruiker aansprakelijk op grond van artikel 6:181 BW. Dit maakt dat de aansprakelijkheid uit de hoofdregel artikel 6:179 BW kan worden verlegd naar de uitzondering namelijk artikel 6:181 BW. De opvatting dat artikel 6:181 BW een belangrijke uitzondering vormt op artikel 6:179 BW, genoemd als hoofdregel door de Hoge Raad, wordt ook gevolgd door onder ander Spier, Oldenhuis en Asser.[3] Echter de wetgever heeft in de parlementaire geschiedenis een andere opvatting. Uit de parlementaire geschiedenis volgt namelijk dat er eerst moet worden gekeken of er sprake is van een bedrijfsmatige gebruiker en pas bij geen bedrijfsmatige gebruik dan kan de bezitter aansprakelijk gesteld worden. [4] Hieruit kan geconcludeerd worden dat de wetgever het wenselijk heeft geacht dat de bedrijfsmatige gebruiker, vooral bij twijfel, als uitgangspunt wordt gebruikt. In het arrest van Hoge Raad en de conclusie van Advocaat-Generaal Langemeijer wordt dit uitgangspunt echter niet overgenomen.[5] De lagere rechtspraak hanteert eveneens het uitgangspunt dat artikel 6:181 BW een verlegging van aansprakelijkheid van bezitter naar de bedrijfsmatige gebruiker veroorzaakt.

3.     Schade door eigen energie

Daarnaast neemt de risicoaansprakelijkheid voor dieren met zich mee dat er sprake moet zijn van schade, die een causaal verband houdt met het verwezenlijken van het gevaar door eigen energie en het onberekenbare element van deze energie van het dier met uitzondering van commando’s of instructies van de begeleider. [6] De artikelen artikel 6:179 BW en artikel 6:181 BW zijn bedoeld voor gevallen waarbij de gedraging van een dier schade heeft toegebracht.[7] Een dier heeft een eigen energie en kan binnen deze eigen energie een onberekenbaar element bevatten. Elk storend gedrag van het dier dat niet is ingegeven door een mens wordt gezien als een onberekenbaar element.[8] Dit vormt dan ook een verhoogd risico in het aansprakelijkheidsrecht en een dier wordt daarom ook wel gezien als een bron van verhoogd gevaar.[9]

Bij de schade toegebracht door dieren is het voldoende dat het dier oorzaak is van de schade. Daarom is het bij de gevallen waarin een dier zelfstandig schade heeft veroorzaakt niet noodzakelijk dat er een rechtstreekse aanraking is geweest met het dier. Tevens een geleide of in de macht hebbende dieren kunnen schade veroorzaken uit eigen energie namelijk wanneer het dier zich onttrekt aan de macht of tegen de wil en bedoeling van de begeleider een gedraging verricht. Daarnaast is er geen sprake van aansprakelijkheid voor wanneer de eigen energie van het levend dier geen rol heeft gespeeld of wanneer het dier als instrument wordt gebruikt.

4.     Artikel 6:181 BW

Daarnaast komen bij de ontleding van het wetsartikel 6:181 BW drie criteria naar voren namelijk: 1. Gebruik, 2. Ter uitoefening van en 3. Bedrijf. Hieronder zullen deze criteria van artikel 6:181 BW worden behandeld rekening houdende met een toepassing op de risicoaansprakelijkheid voor dieren.

4.1.  Gebruik

Het werkwoord ‘gebruiken’ is het kernbegrip van artikel 6:181 BW om te bepalen of er sprake is van bedrijfsmatige gebruik. Bij de gehele criteria ‘gebruiken in de uitoefening van een bedrijf’ zal er allereerst gedacht worden aan productie. Echter het probleem om tot een bedrijfsmatig gebruik te leiden is dan toch dat een dier vaak geen productiemiddel is waarmee producten worden bewerkt, verwerkt of vervoerd. Bij gebruiken in uitvoering van een bedrijf kan men denken aan het gebruiken van productiemachines, panden of auto’s ter behoeve van het bedrijf. Gebruiken is uiteindelijk het gereedhouden van zaken voor verwerking of verkoop. [10] Uit de parlementaire geschiedenis is gebleken dat er twee activiteiten niet onder artikel 6:181 BW vallen. De wetgever wilde niet dat bewaren en vervoeren van stoffen, zaken of dieren kan worden aangemerkt als ‘gebruiken’ in uitoefening van een bedrijf. Als dienstenverleningsobject kan een dier wel een bepalende rol spelen in de hoogte van de omzet.[11] Gebruiken is uiteindelijk meer een juridischtechnische term.[12] Het komt namelijk niet overeen met de betekenis qua normaal taalgebruik.[13] De Hoge Raad heeft in het Loretta-arrest bepaald dat de term ‘gebruiken’ ruim uitgelegd moet worden.

4.2.  In de uitoefening van

Uit de bewoording ‘in de uitoefening van een bedrijf’ kan worden opgemaakt dat er bij de aansprakelijkheid moet er sprake zijn van een zogenaamd functioneel verband. Er moet dan ook een zekere band bestaan tussen het gebruik van het dier en de bedrijfsactiviteiten. Voor de reikwijdte van dit verband moet er ook gekeken worden naar het profijtbeginsel van het bedrijf.[14] Voor de uitleg van het wetsartikel zal de royale interpretatie van 6:170 BW moeten worden aangehouden in plaats van de enge interpretatie van 6:171 BW. Dit maakt dat zeggenschap belangrijk is voor het aansprakelijk stellen en het functioneel verband. De aansprakelijkheid kan al op de bedrijfsmatige gebruiker berusten wanneer het dier zich slechts een korte tijd in zijn machtssfeer bevindt terwijl de bedrijfsactiviteit nog niet is begonnen.[15]

4.3.  Bedrijf

De aansprakelijkheid van het bedrijf heeft volgens de parlementaire geschiedenis de volgende vier redenen: het kan voor de benadeelde moeilijk te bepalen zijn welke natuurlijke persoon aansprakelijk is, er is een ondernemingseenheid, er zijn bedrijfsactiviteiten met het oog op profijt en het zijn bedrijfsrisico’s kunnen goed verzekerd worden door ondernemers.[16] Dit moet volgens Spier wel ruim moeten worden uitgelegd.[17] Bij de ondernemingseenheid hebben de uiteerlijke kenmerken niet een relevante waarde.[18] Daarnaast is het namelijk niet noodzakelijk dat de onderneming winst moet behalen.[19] Overheden, stichtingen en ziekenhuizen vallen hierdoor ook onder het begrip ‘bedrijf’. Niet de eenheid, maar de zeggenschap is de sleutel tot aansprakelijkheid ex art. 6:181 BW.[20]

5.     Loretta-Arrest[21]

Het Loretta-arrest van de Hoge Raad heeft een grote rol voor de kwalitatieve aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker van dieren ex artikel 6:181 BW. In dit arrest geeft de Hoge Raad namelijk richtlijnen ter invulling van het begrip ‘bedrijfsmatig’ gebruik.

5.1.  Casus

De benadeelden hebben in deze casus de bezitter ex artikel 6:179 BW aansprakelijk gesteld, terwijl de aansprakelijkheid bij de bedrijfsmatige gebruiker lag. Het paard Loretta van Van de Water wordt tegen betaling ondergebracht bij de paardenhouderij ‘De Gulle Ruif’. Het paard zal daar worden getraind, afgericht en zadelmak gemaakt worden. Op verzoek van een werkneemster liet de schoondochter van Van de Water het paard na de training uitlopen. De tienjarige Marloes Kremers is de paardenbak ingelopen en toen zij het paard passeerde werd ze geraakt door het paard. De ouders hebben Van de Water als bezitter van Loretta aansprakelijk gesteld op grond van artikel 6:179 BW. Van de Water stelt dat de aansprakelijkheid op ‘De Gulle Ruif’ als bedrijfsmatige gebruiker rust. Dit verweer is uiteindelijk gegrond gevonden door rechtbank, gerechtshof en de Hoge Raad en daarom hadden de ouders niet Van de Water aansprakelijk moeten stellen, maar ‘De Gulle Ruif’ op grond van artikel 6:181 BW.

5.2.  Hoge Raad

In het Loretta-arrest heeft de Hoge Raad bepaald dat artikel 6:181 BW de aansprakelijkheid ‘verlegt’ met daarbij een ruime uitleg van bedrijfsmatig gebruik en daarbij is er dan niet sprake van cumulatieve aansprakelijkheid, maar van een alternatieve aansprakelijkheid. De aansprakelijkheid van artikel 6:179 BW ligt of bij de bezitter of bij de bedrijfsmatige gebruiker. De opvatting van de Hoge Raad wordt ook overgenomen door de lagere rechtspraak.[22] Dat artikel 6:181 BW niet enkel de belangen van de benadeelden op het oog heeft, blijkt uit het feit dat cumulatieve aansprakelijkheid van gebruiker en bezitter volgens de Hoge Raad niet kan. Het artikel heeft tevens als belang versplintering van aansprakelijkheid te voorkomen. [23] De fase ten opzichte van het eventuele doel waarin het gebruik zich bevindt is volgens de Hoge Raad niet van belang en de eis dat het dier ‘duurzaam en ten eigen nutte’ door de bedrijfsmatige gebruiker wordt gebruikt mag niet het aannemen van aansprakelijkheid in de weg staan. [24] Een kortstondig gebruik van het dier kan, net als het eventuele profijt van de bedrijfsmatige gebruiker, voor de toepassing van artikel 6:181 BW niet tegenhouden. Daarnaast kan een derde jegens de benadeelde aansprakelijk gesteld worden op grond van artikel 6:162 BW. Dit heeft geen invloed op de kwalitatieve aansprakelijkheid en op wie deze aansprakelijkheid berust.[25]

 

6.     Juristen over de uizondering ‘bewaren’

De houdbaarheid om bewaren nog buiten het toepassingsbereik van artikel 6:181 BW te laten staat op losse schroeven. In de parlementaire geschiedenis is wel bepaald het bewaren niet onder het toepassingsbereik van artikel 6:181 BW valt. Volgens de wetgever is het verband tussen de schade die niet kan worden voorkomen met de gebruikelijke zorg voor het dier en de uitoefening van het bedrijf van de bewaarder niet sprekend genoeg.[26] Oldenhuis stelt dat de bezitter van een dier in deze situatie aansprakelijk moet zijn wanneer het bewaren van het dier niet gepaard gaat met enige zeggenschap met betrekking tot het dier. Hierbij zal het dan gaan om een houder waarbij enkel een ruimte om te bewaren beschikbaar stelt en waarbij de bezitter de verzorging alsnog op zich neemt. Daarnaast stelt Tjong Tjin Tai het met moet gaan om wie verantwoordelijk is voor het dier, wie het beste in staat is om risico’s te minimaliseren en schade te voorkomen, degene op wie maatschappelijk gezien de taak rust de zaak te beheren. Uit deze zienswijze, bij een casus waarbij een dier in bewaring is gegeven, kan men opmaken dat eigenlijk de bedrijfsmatige bewaarder veel geschikter is om aansprakelijk gesteld te worden dan de bezitter. Immers deze heeft enige zeggenschap over het dier en haalt er ook profijt uit het bedrijfsmatig bewaren. Bij de ruime uitleg met betrekking tot bedrijfsmatig gebruik zal er ook meer waarde gehecht worden aan het profijtbeginsel. Daarbij is in de praktijk de scheidingslijn tussen gebruiken en bewaren erg dun. Door de ruime uitleg en deze dunne scheidingslijn zal het in de rechtspraktijk steeds moeilijker te bepalen of er sprake is van bewaren en of de casus onder het toepassingsbereik van artikel 6:181 BW zal vallen.

7.     Conclusie

Het profijtbeginsel en de zeggenschap (machtssfeer) hebben een essentiële rol om tot een geval van bedrijfsmatig gebruik en tot een toepassing van artikel 6:181 BW te komen.

De risicoaansprakelijkheid voor de bedrijfsmatige gebruiker van het dier wordt gezien als een uitzondering op de hoofdregel, waarbij de aansprakelijkheid op de bezitter van het dier rust. Het toepassingsbereik van artikel 6:181 BW heeft met het Loretta-arrest een aantal handvatten gekregen. De Hoge Raad stelt in dit arrest dat er een verlegging van aansprakelijkheid plaatsvindt van de bezitter naar de bedrijfsmatige gebruiker. Hierbij is niet gekozen voor de slachtoffervriendelijke cumulatieve aansprakelijkheid maar voor de alternatieve aansprakelijkheid.

Het Loretta-arrest geeft een aantal handvatten, maar dit brengt niet een uitgekristalliseerde uitleg van artikel 6:181 BW met zich mee.[27] Het begrip ‘bedrijfsmatig gebruik’ mag ruim uitgelegd worden, waarbij er gekeken zal worden naar het profijtbeginsel en de zeggenschap. De parlementaire geschiedenis heeft daarbij al uitgemaakt dat bewaren en vervoeren niet onder het toepassingsbereik van het wetsartikel vallen. Door de extensieve uitleg van ‘gebruiken’ komt het in overeenstemming met het doel van het artikel. Daarbij heeft de slachtofferbescherming door deze ruime uitleg van deze term een stevigere basis gekregen De benadeelde kan de bedrijfsmatige gebruiker gemakkelijk aanspreken en hoeft minder moeite te doen om uit te zoeken of eventueel een ander, de bezitter, aansprakelijk is. Bij deze ruime uitleg van bedrijfsmatig gebruik maakt het ook niet uit in welk stadium het gebruik zit. Een voltooiing, een gestarte en een nog niet gestarte bedrijfsactiviteit kunnen allen onder de noemer bedrijfsmatig gebruik vallen. Hierbij kunnen de zeggenschap en het profijtbeginsel genoemd worden als aanknopingspunten voor aansprakelijkheid. Dit geldt dus niet de uiterlijke kenmerken en eenheid.[28]

In de toekomst zullen er meer soortgelijke uitspraken met een houder van dieren moeten komen om eventuele afbakening te maken voor het begrip “bedrijfsmatig gebruik”. Door deze extensieve uitleg zal het een kwestie van tijd dat de uitzonderingsgevallen van de wetgever, bewaren en vervoeren, niet meer stand kunnen houden. Het gaat er om wie verantwoordelijk is voor het dier, wie het beste in staat is om risico’s te minimaliseren en schade te voorkomen, degene op wie maatschappelijk gezien de taak rust de zaak te beheren.[29] Deze visie komt overeen met de zeggenschapscriterium zal uiteindelijk de aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker van het dier in evenwicht brengen ten opzichte van de bezitter.


 

Bronnenlijst

Literatuur

  • Asser/Hartkamp & Sieburgh 2011 (6-IV*)

A.S. Hartkamp & C.H. Sieburgh, Mr. C. Assers handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 6. Verbintenissenrecht. Deel IV. De verbintenis uit de wet, Deventer: Kluwer 2011.

 

  • Cahen 2002

J.L.P. Cahen, Pitlo. Het Nederlands burgerlijk recht. Deel 4. Algemeen deel van het verbintenissenrecht, Deventer: Kluwer 2002.

 

  • Hartlief NJB2011/1037, 20
  1. Harlief, ‘Aansprakelijkheid in kwaliteit, NJB 2011/1037, afl. 20, p. 1313.

 

  • Kolder NTBR 2010, 36
  1. Kolder, ‘Begrenzing van kwalitatieve aansprakelijkheid; functioneel verband binnen artikel 6:181 BW’, NTBR 2010, 36, afl. 8, p. 295-307.

 

  • Oldenhuis, GS Onrechtmatige daad, art. 6:179 BW, aant. 71

F.T. Oldenhuis 2011, ‘Bedrijfsmatig gebruiken’, in: C.J.J.M. Stolker (red.), Groene Serie Onrechtmatige daad, Deventer: Kluwer.

 

  • Oldenhuis, GS Onrechtmatige daad, art. 6:181 BW, aant. 5

F.T. Oldenhuis, ‘Eenheid van onderneming’, in: C.J.J.M. Stolker (red.), Groene Serie Onrechtmatige daad, Deventer: Kluwer.

 

  • Oldenhuis & Kolder AV&S 2012/3

F.T. Oldenhuis & A. Kolder, ‘Kroniek kwalitatieve aansprakelijkheid voor personen en zaken’, AV&S 2012, 3

 

  • P Gesch. Inv. Boek 3 NBW

W.H.M. Reehuis & E.E. Slob, Parlementaire geschiedenis van het nieuwe burgerlijk wetboek. Parlementaire stukken systematisch gerangschikt en van noten voorzien. Invoering Boeken 3, 5 en 6. Boek 3. Vermogensrecht in het algemeen, Deventer: Kluwer 1990.

 

  • Gesch. Boek 6 NBW

C.J. van Zeben & J.W. du Pon, Parlementaire geschiedenis van het nieuwe burgerlijk wetboek. Parlementaire stukken systematisch gerangschikt en van noten voorzien. Boek 6. Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht, Deventer: Kluwer 1981.

 

  • Spier e.a. 2009
  1. Spier e.a., Studiereeks Burgerlijk recht. Verbintenissen uit de wet en schadevergoeding, Deventer: Kluwer 2009.

Jurisprudentie

Hoge Raad
  • HR 29 november 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9138, NJ 1987, 291 (Pony)
  • HR 23 februari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1041, r.o. 3.2, NJ 1990 365 (Zengerle/Blezer)
  • HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1475, JA 2011, 56, NJ 2011, 405 (Loretta).
Rechtbank
  • Rb Zutphen 21 april 2010, ECLI:NL:RBZUT:2010:BM4553, JA 2010, 89.
  • Arnhem 20 april 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BQ3915, JA 2011/116

 

[1] HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1475, JA 2011, 56, NJ 2011, 405, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Loretta).

[2] HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1475, JA 2011, 56, NJ 2011, 405, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Loretta).

[3] Spier e.a. 2009, nr. 130; Oldenhuis , in GS Onrechtmatige daad, art. 6:179 BW, aant. 71; Asser/Hartkamp & Sieburgh 2011 (6-IV*), nr. 229 en 256; Cahen 2002, p. 172.

[4] Parlementaire Geschiedenis boek 6 NBW, p. 745

[5] HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1475, JA 2011, 56, NJ 2011, 405,

[6] Rb Zutphen 21 april 2010, ECLI:NL:RBZUT:2010:BM4553, JA 2010, 89 ; Parl. Gesch. Boek 6 NBW, p. 763. ;

HR 23 februari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1041, r.o. 3.2, NJ 1990 365 (Zengerle/Blezer)

[7] Asser/Hartkamp & Sieburgh 2011 (6-IV*), nr. 250.

[8] Bauw 2008 (Mon. BW B47), nr. 46.

[9] Oldenhuis & Kolder AV&S 2012, 3, par. 3.5.

[10] Asser/Hartkamp & Sieburgh 2011 (6-IV*), nr. 230.

[11] Van Swaaij & Pluymen MvV 2011, 11, p. 298.

[12] HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1475, JA 2011, r.o. 3.3, 56, NJ 2011, 405, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Loretta).

[13] Hartlief NJB 2011/1037, 20, p. 1313.

[14] Kolder NTBR 2010, 36. p. 295-307.

[15] Rb. Arnhem 20 april 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BQ3915, JA 2011/116

[16] Parl. Gesch. Inv. Boek 3 NBW, p. 1003.

[17] Spier e.a. 2009, nr. 130.

[18] Oldenhuis, in GS Onrechtmatige daad, art. 6:181 BW, aant. 5

[19] Spier e.a. 2009, nr. 130.

[20] Kolder NTBR 2010, 36. p. 295-307.

[21] HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1475, JA 2011, 56, NJ 2011, 405, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Loretta).

[22] Rb. Arnhem 20 april 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BQ3915, JA 2011/116;

Rb. Den Bosch 13 juli 2011, ECLI:NL:RBSHE:2011:BR1652, JA 2011/164

[23] Parl. Gesch. Boek 6 NBW, p. 747.

[24] HR 29 november 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9138, NJ 1987, 291, m.nt. C.J.H. Brunner  (Pony),

[25] HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1475, JA 2011, r.o. 3.3, 56, NJ 2011, 405, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Loretta).

[26] Parl. Gesch. Boek 6 NBW, p. 747.

[27] HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1475, JA 2011, 56, NJ 2011, 405, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Loretta).

[28] Oldenhuis & Kolder AV&S 2012, 3, par. 3.5.

[29] HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1475, JA 2011, 56, NJ 2011, 405, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Loretta).

Voorlopige Casusoplossing – Studentenrechtbank 2015

Voorlopige casusoplossing

casus prio01d – Bertha is boos! – Aansprakelijkheid voor bedrijfsmatig gebruik van dieren.

Auteur:          Ewout Pong Visser

1.    Casus

Siebrand Zorgsma is een gepensioneerde boer met nog enkele stallen en stukken grond om eventueel dieren van anderen te stallen en te verzorgen. Siebrand heeft samen met zijn vrouw Wiene een Bed en Breakfast. Buurvrouw Tessa Harmsen heeft ruimte tekort en wil haar drachtige koeien stallen bij Siebrand. Het voer wordt betaald door Tessa en ze wordt ook op de hoogte gehouden met betrekking tot het kalveren. Siebrand ziet de koeien als een aanwinst. Het geeft een mooie sfeer voor bij de bed en breakfast. Daarnaast worden zijn stallen en stukken grond gebruikt. Het weiland van Siebrand is omgeven met een sloot met daarnaast een wandelpad. Op 24 april 2014 kalvert Bertha 23. Onder aanvoering van Tessa Harmsen, assisteert Siebrand bij de bevalling. Na de bevalling zijn Siebrand en Tessa weggelopen om spullen te halen. Eduard Schaaf die als wandelaar en fotograaf bij de bevalling aanwezig was, maakt nog een aantal foto’s. Toen Buurman Han Gerritsen met zijn loslopende hond. Door de flits van de fotocamera van Eduard schrikt Bertha. Hierop reageert de loslopende hond van Han met keffen en enthousiasme. Bertha wil haar pasgeboren kalf beschermen en stormt richting de hond. Bertha ging door de sloot en raakte uiteindelijk Eduard, die met zwaar letsel naar het ziekenhuis moet. Eduard stelt boer Siebrand aansprakelijk als bedrijfsmatige gebruiker van koe Bertha ex artikel 6:181 BW.

2.    Oplossing

Siebrand Zorgsma wordt aansprakelijk gesteld voor de geleden schade van Eduard Schaaf. Dit gebeurt op grond van artikel 6:181 BW. Hier gaat het om een verlegging van aansprakelijkheid uit artikel 6:179 BW van bezitter naar de bedrijfsmatige gebruiker. In ieder geval moet er sprake zijn van schade. In casu is er zowel materiele als imateriele schade. Voor de risicoaansprakelijkheid voor dieren moet er sprake zijn van een schade, die een causaal verband houdt met het verwezenlijken van het gevaar door eigen energie en het onberekenbare element van deze energie. De schade die Eduard heeft opgelopen is inderdaad veroorzaakt door een eigen beweging van Bertha. Eduard stelt dat er sprake is van bedrijfsmatig gebruik van dieren door Siebrand. De koe zal dan door Siebrand gebruikt worden ter uitoefening van zijn bedrijf. Daarnaast komen bij de ontleding van het wetsartikel 6:181 BW drie criteria naar voren namelijk: 1. Gebruik, 2. Ter uitoefening van en 3. Bedrijf.

Op het eerste criterium zal het al spaak lopen. De wetgever heeft namelijk een uitzondering gemaakt voor bewaren en vervoeren van dieren. Bewaren valt dus niet onder het toepassingsbereik van artikel 6:181 BW. Volgens de wetgever is het verband tussen de schade die niet kan worden voorkomen met de gebruikelijke zorg voor het dier en de uitoefening van het bedrijf van de bewaarder niet sprekend genoeg.[1] In casu is er sprake van bewaren. Siebrand heeft namelijk stallen en weilanden beschikbaar gesteld. Het voer is wel afkomstig van Tessa, maar de overige zorg komt van Siebrand. Een mogelijkheid om toch tot gebruiken te komen, wat me onwaarschijnlijk lijkt, is het stellen dat Siebrand door het gebruik van koeien veel profijt heeft. Profijtbeginsel. De stallen en stukken grond worden gebruikt en dit is een rechtstreeks gevolg van de koeien. Echter het profijt vanuit de Bed en Breakfast staat niet vast dat dit een causaal verband heeft met de koeien van Tessa. Het functioneel verband zal daarnaast ook spaak lopen. De aansprakelijkheid kan al op de bedrijfsmatige gebruiker berusten wanneer het dier zich in zijn machtssfeer bevindt. In casu is dit niet geheel zo. Dit komt doordat bezitter Tessa Harmsen de leiding neemt bij de bevalling en daarnaast ook controle (zeggenschapp) uit kan oefenen over de overige koeien in de stalling.

 

Kortom: er is geen sprake van bedrijfsmatig gebruik van het dier door Siebrand. Hierdoor is hij niet aansprakelijk, maar de bezitter Tessa Harmsen. De bezitter is namelijk op grond van de hoofdregel artikel 6:179 BW aansprakelijk. In het Loretta-arrest heeft de Hoge Raad bepaald dat er geen sprake is van cumulatieve aansprakelijkheid, maar een alternatieve aansprakelijkheid. De aansprakelijkheid ligt dus of bij de bezitter of bij de bedrijfsmatige gebruiker. De vordering wordt afgewezen. Eduard had Tessa of Han Gerritsen voor het gedrag van zijn hond (de veroorzaker art. 6:179 BW) aansprakelijk moeten stellen. [2]

[1] Parl. Gesch. Boek 6 NBW, p. 747.

[2] HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1475, JA 2011, r.o. 3.3, 56, NJ 2011, 405, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Loretta);

Hof Amsterdam 20 maart 1997, ECLI:NL:GHAMS:1997:AK3749, VR 1999, 100, r.o. 4.3 (Admiraal/Van Lemmeren).